zaterdag 21 juli 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
GerJan van de Kamp - De Spookjongen
Gepubliceerd op: 21-10-2004 Aantal woorden: 1328
Laatste wijziging: - Aantal views: 2176
Easy-print versie Aantal reacties: 5 reacties

De Spookjongen

GerJan van de Kamp


De Spookjongen

Er was eens een jongen en die was een spook. Dat kwam omdat hij dood was gegaan. Als je dood gaat, wordt je namelijk een spook.
Mensen zeggen wel eens: ‘Spoken zijn eng!’
Maar dat is eigenlijk niet zo. Spoken zijn gewoon dode mensen. Dat betekent dat je ze niet kan zien. Maar ze zijn niet eng. Ze zijn net als gewone mensen. Ze zijn alleen maar onzichtbaar.
Dat is een beetje raar. Want als je met een spook praat, lijkt dat heel gek. Het lijkt net alsof je tegen niets praat. Want je kunt het spook niet zien. Maar als je goed luistert, zegt het spook wel wat terug.
Spoken zijn heel aardig. Ze helpen graag mensen.
Soms als je bent verdwaald, zegt een spook welke kant je op moet. Als dat gebeurt, is dat heel vreemd. Het gebeurt zonder dat je het merkt. Ineens denk je: Ik moet hier links! Dan kom ik weer thuis! En eigenlijk komt dat dan door een spook. Die fluistert dan in je oor: ‘Je moet hier links… Dan kom je weer thuis…’
Spoken zijn dus helemaal niet eng.

Deze spookjongen was ook niet eng. Hij was heel aardig. Hij hielp mensen die verdwaald waren. En hij luisterde naar kinderen die een geheim vertelden. Dan langen ze in bed en zeiden dan zachtjes hun geheimen. En de spookjongen luisterde dan. Dan zei hij: ‘Ik zal je geheim nooit doorvertellen.’ En dan werden de kinderen weer rustig. Dan konden ze goed slapen.

In het land waar deze spookjongen vandaan kwam, was het oorlog. Er waren twee mannen die heel boos waren op elkaar. Zij zeiden tegen elkaar: ‘Dit is mijn land! Jij moet hier weg! Ik was hier het eerst!’
Maar niemand wist wie er eerst was. De andere mensen vonden het vreemd. Het land was heel groot. Dus ze konden er best allebei wonen.
De boze mannen waren heel rijk. En ze kochten bommen. En die gooiden ze naar elkaar.
Maar ze konden niet goed mikken. Ze gooiden heel vaak mis. En dan viel de bom op een huis. Of op een mooie boom.
De boze mannen maakten alles stuk. En de mensen vonden dat heel erg zonde. Het land was namelijk heel mooi. Maar nu maakten de bozen mannen het land stuk.
Soms zeiden de mensen: ‘Boze mannen, hou op met ruzie maken! Jullie maken het mooie land kapot!’
Maar de boze mannen luisterden niet. Ze gingen gewoon door. Ze kochten nieuwe bommen en maakten nog meer huizen en bomen stuk.

De spookjongen vond de oorlog heel erg. Hij vond het land ook heel mooi. En nu ging het stuk. En de boze mannen gingen maar door. De spookjongen wilde dat ze ophielden. Maar wat kon hij doen? De bozen mannen luisterden niet. Ze luisterden naar niemand. En vast en zeker ook niet naar een spookjongen.
Wat moest hij doen? Hij dacht heel diep na. Toen wist hij het. Hij zou de bozen mannen in hun oor fluisteren, net zoals bij de verdwaalde mensen. Dan zou hij zeggen: ‘Je moet stoppen met bommen gooien! Want alles gaat kapot!’
En misschien zouden de mannen dan ineens denken: ‘Ik moet stoppen met bommen gooien! Ik maak alles kapot!’
Misschien zouden de bozen mannen anders gaan denken. En dat zou dan komen doordat de spookjongen stiekem in hun oor had gefluisterd.
De spookjongen vond het een goed plan. Hij zou stiekem bij de boze mannen op bezoek gaan. Als ze sliepen. En dan zou hij in hun oor fluisteren. En dan zouden ze ineens denken: ‘Ik moet stoppen met oorlog maken!’ En dan zou dat eigenlijk komen door de spookjongen. Omdat hij dat in hun oor had gefluisterd.

Maar het was een heel gevaarlijk plan. Want de mannen waren heel boos en gemeen. En ze woonden in heel grote kastelen. Ze woonden in heel hoge torens.
Van die torens gooiden ze bommen. Hij moest goed uitkijken voor de bommen. Want ook voor spoken zijn bommen gevaarlijk!
Een spook kan niet worden geraakt door een bom. Maar een ontploffende bom maakt heel veel lawaai. En heel fel licht. Dus een spook kan wel doof worden van een bom. Of blind.
Bommen zijn gewoon eng!

Toen het nacht was, ging hij op pad. Hij sloop naar één van de twee kastelen. Hij klom langs de muur omhoog. Dat was heel moeilijk. Hij moest heel hard hijgen en puffen. Maar hij mocht geen lawaai maken! Dus hij moest heel langzaam klimmen.
Toen hij eindelijk boven was, zag hij de boze man. Deze lag te slapen. En hij fluisterde in zijn oor. Hij zei: ‘Boze man, je moet geen oorlog meer maken. Want alles gaat stuk. Jullie kunnen allebei in dit land wonen. Want het land is heel groot.’
En toen mompelde de boze man in zijn slaap. Hij mompelde: ‘Ik moet geen oorlog meer maken. Ik maak alles stuk. Ik ga vrede maken met de andere boze man.’
Toen de spookjongen dat hoorde, was hij blij. Zijn plannetje was gelukt!

Hij klom weer heel langzaam naar beneden. Toen hij beneden was, liep hij zachtjes naar de andere toren. Weer klom hij langs de muur naar boven. Hij moest weer heel zachtjes doen.
Toen hij boven kwam, zag hij de andere boze man. Deze was wakker!
De jongen schrok heel erg. Zou zijn plannetje nog wel lukken?
Toen sloop hij heel voorzichtig naar de boze man. De spookjongen ging op zijn tenen staan en fluisterde in het oor van de boze man.
Hij fluisterde: ‘Boze man, hou op met oorlog voeren. Want alles gaat stuk. Het land is heel groot, dus jullie kunnen hier best allebei wonen.’
De boze man keek om zich heen. Hij dacht dat hij wat hoorde. Maar hij zag niets. En ineens zei hij zachtjes tegen zichzelf: ‘Waarom maak ik eigenlijk ruzie? Dit land is heel groot en heel mooi. We kunnen hier vast wel samen wonen. En ik moet stoppen met bommen gooien. Want alles gaat kapot.’
En toen hij dat had gezegd, was de spookjongen blij. Zijn plannetje was weer gelukt!
Hij durfde niet naar beneden te klimmen. Misschien hoorde de boze man hem dan wel!
Hij wachtte tot de man in slaap was gevallen. Dat duurde heel lang. Want de man zat lang te piekeren. Hij dacht over alles dat hij had stuk gemaakt. Hij was een beetje boos op zichzelf. Hij bedacht dat hij morgen met de andere boze man zou praten. Hij zou zeggen: ‘We moeten stoppen met de oorlog! We moeten het land weer heel maken! Want nu is alles kapot.’
Toen de man dit dacht, moest hij glimlachen. Dat was een goed plan. Zo konden de twee boze mannen het weer goed maken. Dan zou er geen oorlog meer zijn. En dan zou het land weer mooi worden.
Toen viel de man in slaap. Heel langzaam kroop de spookjongen langs de toren weer naar beneden.

De volgende ochtend zagen de mensen uit het land iets vreemds. De twee boze mannen liepen arm in arm. Ze lachten. Ze waren gestopt met ruzie maken! Ze vroeg aan iedereen: ‘Wat hebben we kapot gemaakt? Vertel het ons! Want we willen het weer heel maken. We gaan alles weer mooi maken!’
Iedereen was blij. De twee mannen begonnen de huizen te repareren. En iedereen hielp mee. Want nu was er geen oorlog meer. En het land werd weer mooi.
De spookjongen was heel blij. Hij hoopte dat nu niemand meer bang zou zijn voor spoken. Want die konden hele goede dingen doen! Ze konden oorlogen stoppen!

De spookjongen luisterde nog heel vaak naar geheimen van kinderen. En nog heel vaak fluisterde hij mensen in het oor. En die dachten dan altijd: Wat een goed idee heb ik! Maar dat was niet hun eigen idee. De spookjongen had het idee in hun oor gefluisterd…






engel @ 24-06-2008 10:42:07
ik vond het een beetje lang dradig en saai


florian senteur @ 24-09-2007 22:39:02
Als je altijd zo schrijft,wordt het eens tijd om je werk te laten uitgeven.De tijd is er rijp voor.Een welgemeend advies.


shannon @ 05-03-2006 21:31:59
mooi verhaal


GerJan van de Kamp @ 11-12-2004 13:26:36
dank je hartelijk...


Brigit @ 20-11-2004 20:07:55
heel mooi verhaal



Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens