zondag 24 september 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Rik van Schaik - De Lege Kerk
Gepubliceerd op: 20-10-2004 Aantal woorden: 5379
Laatste wijziging: - Aantal views: 1247
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De Lege Kerk

Rik van Schaik


Het enige goede dat de zestiger jaren ons hebben opgeleverd zijn The Rolling Stones. Behalve het theater van de rock and roll is alles neergehaald. Het gezag moest omver worden geworpen. U wordt bedankt! Fijn dat u ons de mouwen van de goochelaar heeft willen tonen door maar meteen het hoogste gezag te vernietigen. God is weggejaagd, bravo! En met hem heeft u gelijk maar even het paradijs en alle daarmee samenhangende symboliek met het badwater weg laten lopen. Elke illusie is vertrapt tot een onbenullig overblijfsel uit vervlogen jaren. Maar Goddank, onze ouders hebben dan ook wel hun idealen verwezenlijkt. We hebben vrede en vrijheid teruggekregen. Wat een ambitie en doorzettingsvermogen hebben zij weten over te dragen. Slechts een enkeling beklimt zo nu en dan nog een barricade. Voor de rest liggen ze in hun sloffen bij te komen van hun midlifecrisis. Het rode boekje is een lachwekkend object geworden, de vrije liefde is een taboe, het verdienen van geld en status een must. Veganisme, biologische groenten, gezondheidssandalen en spirituele lulkoek zijn de nieuwe religie geworden. Voel het maar, God zit in jezelf. Ja, mijn neus! Ik wil iets zien, ik wil gewaagde verhalen horen en groot theater zien. Ik wil betoverd worden door mensen die het weten, die me troosten. Desnoods doen ze maar alsof. Verkleedspullen genoeg, verhalen te over, onschuldige zieltjes in overvloed. Ik zal mijn kinderen in Sinterklaas laten geloven tot het moment dat ze op kamers gaan. Tot die tijd zal de verbeelding regeren! Zoals het voor mij, als kind, ook geregeerd heeft.
Als kind was ik voortdurend op zoek naar God. Met verbazing en ontzag bekeek ik dan ook mijn tweede vader die de kerk, althans zoals ik hem wilde beleven, verfoeide. Toen ik eens terugkwam omdat ik mijn ´plaatsengeld´ had vergeten werd ik met een bevlogen betoog, waarin God van iedereen hield - ook van de mensen die geen plaatsengeld betaalden -, door hem teruggestuurd. Hij bestreed alles wat opdringerig en commercieel was vanuit een rechtvaardigheidsgevoel waar ik jaloers op kon worden. Zo werd de kabelexploitant eens van ons erf afgestuurd met de dreigende woorden: ´In dit huis zal geen commerciële televisie komen. Nooit! Dit is de derde keer dat ik iemand van uw organisatie van mijn tuinpad moet sturen maar van een vierde keer zal het zeker niet komen. Zodra u nog eens mijn deurbel laat klinken bel ik de politie en beschouw ik dit alles als huisvredebreuk!´ Driftig maar voldaan wierp hij dan stevig de deur dicht. Een andere keer kwam ik rond verkiezingstijd van onze markt thuis met boodschappen en een vrolijk VVD-ballonnetje. Zodra hij het oranjeblauwe logo van de liberale volkspartij in het oog kreeg werd mij vriendelijk, doch dringend, verzocht alle stront buiten de deur te laten.
Het was op een zondagochtend, mijn ouders sliepen uit, dat ik met mijn broertje en zusjes knus voor het televisietoestel VPRO-programma´s bekeek. Vanuit mijn ooghoeken zag ik een tweetal grijze jassen op onze deur toelopen. Jehova´s! Wat een mooie gelegenheid om God in ons huis op te nemen en tegelijkertijd eens mijn vaders overtuigingskracht op de proef te stellen. Overdreven gastvrij opende ik met een pathetische zwier onze voordeur. Twee expressieloze heren kwamen met hun krantjes binnen. Ik nam hun jassen aan en hing deze op aan de kapstok. In de woonkamer trok ik één voor één de stoelen uitnodigend onder onze eettafel vandaan en liet de heren hierop plaatsnemen. Koffie hoefden ze niet, een kopje thee zou wel fijn zijn. Terwijl ik een ketel op het vuur zette trapte ik alvast af met de mededeling dat ik God in ons huis en in mijn leven verloren was en dat ik hoopte op een advies van mijn bezoekers. De oudste van het stel wilde al wat zeggen maar ik kon hem net op tijd verzoeken zijn woorden nog even uit te stellen. Ik ging immers mijn vader halen, een man die zeer in evangelisatie geďnteresseerd was. ´Mijn ouders en ik zijn zoekende naar de Here. Wij willen hem niet kwijtraken maar weten niet hoe we hem vast moeten houden. Ik ben er van overtuigd dat een gesprek mijn ouders in ieder geval zal troosten, hoop zal geven´. Ik vroeg de mannen om een moment en giechelend liep ik de trap op. Ik wist dat ik voor straf de rest van de zondag op mijn slaapkamer geparkeerd zou worden maar de lol die weldra los zou barstten maakte dat dubbel en dwars waard.
Diep in elkaar verstrengelt lagen mijn ouders op de Heilige zondagochtend prinsheerlijk uit te slapen. Ik knipte het licht aan en sloop naar de rand van de echtelijke sponde. Het duurde enkele ogenblikken eer ik mijn opkomende proestbui onder controle had en met een ernstig smoel mijn vader toe kon spreken. Daar mijn vader een ´zaak aan huis´ had lag de tekst om hem te wekken voor de hand: ´Pap, pssst. Pap, wakker worden! Er is bezoek, klanten´. Er kwam beweging in de verstopte massa onder het dekbed. Klanten was het toverwoord. Een van slaap in elkaar gevouwen gezicht kwam boven het beddengoed en keek mij niet begrijpend aan.
´Sorry, het spijt me. Ik snap ook niet hoe ze er zo bijkomen om zondagochtend op de stoep te staan. Doe maar rustig aan hoor, ik heb ze aan tafel plaats laten nemen en een kop thee aangeboden´. De mededeling dat hij het rustig aan kon doen maakte hem juist extra gehaast. Wild wierp hij het dekbed van zich af waardoor ook mijn moeder half naakt kwam te liggen. Ze keek me, over haar schouder heen, verstoord aan, gaf een ruk aan het dekbed en liet haar hoofd weer op het kussen vallen. Mijn vader schoot in zijn kleren en goochelde wat met een tandenborstel en eau de cologne. De gesp van zijn riem rinkelde tussen zijn ongeduldige vingers. Vreemd toch, hoe de meest dagelijkse taakjes onder grote druk ingewikkelde opdrachten werden. Mijn vaders klanten zaten beneden, op zondag! Dat op zich was al iets zeer merkwaardigs. Maar het feit dat die klanten in de wetenschap verkeerden dat mijn vader aan het uitslapen was geweest, was onverteerbaar. Op dit moment nipten de heren Jehovagetuigen van hun thee, zo nu en dan opkijkend naar het plafond waarboven ze mijn vader stommelend in zijn kleren hoorden duiken. Hijgend strikte mijn, inmiddels klaarwakkere, vader zijn schoenveters. Het leek mij een geschikt moment om naar beneden te gaan zodat ik de opkomst van mijn vader tegenover zijn christelijke medemens goed zou kunnen waarnemen. Beneden schoot er in de ernstige gezichten van de Jehova´s een glimlach zoals er een barst in het ijs schiet. Ik knikte ze toe en zei dat mijn vader in aantocht was. Er klonken beheerste passen op de trap, het gerinkel van zijn sleutelbos en een kuchje in de gang (zou hij een snelle blik in de spiegel werpen?). De deur van onze woonkamer ging open: Daar stond mijn vader, oog in oog met zijn zielwinnaars die glimmend waren neergestreken aan zijn zondagse ontbijttafel. Alsof er een middeleeuws harnas ons interieur had verrijkt, zo stond mijn vader stram in onze woonkamer.
´U zoekt de Heer!´ De oudere man nam het voortouw en stak als een schild tegen de boze buitenwereld hun tijdschrift, ´De Wachttoren´, de hoogte in. De ogen van mijn vader vernauwden zich, hij likte zijn droge lippen en slikte de droogte weg in zijn keel. Langzaam viel het kwartje. Ik zag zijn gezicht verkleuren en hij wierp een korte, nijdige, blik mijn kant uit.
´U hoeft zich nergens voor te schamen. U bent de enige niet die de Heer uit het oog verloren heeft. Uw gęne is te begrijpen maar u wilt in ieder geval de moeite doen Hem te hervinden en…´ Het feit dat men het verkleuren van mijn vaders gezicht naar schaamte vertaalde, viel niet best. Mijn vader strekte zijn rug en opende de kamerdeur waar hij zojuist door naar binnen was gekomen. ´Ik schaam mij in het geheel niet! Ik val namelijk geen mensen lastig die, geheel naar eigen invulling, hun zondagmorgen beleven. Ik verzoek u mijn huis te verlaten´.
´Uw reactie is heel begrijpelijk. Ik ben vaak mensen zoals u tegengekomen die zich schuldig voelen omdat ze de Here Jezus verbannen hebben. Gelijk het joodse volk heeft u hem verbannen, verraden en gekruisigd. Het is niet mis om dergelijke zonden onder ogen te moeten komen. Maar u bent nog niet verloren. De Heer heeft ook de Joden vergeven. U kunt zich verheffen!´ De oudere man stak zijn wijsvinger omhoog en had mijn vader het toppunt van zijn razernij doen laten bereiken.
´Bent u helemaal gek geworden! Hoe durft u mij de moord op Jezus van Nazareth in de schoenen te schuiven? Mijn huis uit´.
´Het gebeurt vaak dat mensen hun kleinheid niet onder ogen durven te komen. Maar u kunt uw zonden niet afwentelen zonder Christus´.
´Mijn huis uit, nu!´ Trillend van woede wees mijn vader de mannen, geheel ten overvloede, de juiste looprichting. Onder diverse woorden van teleurstelling slopen de heren richting gang. De man die zojuist ook het woord had gevoerd hield voor mijn vader even zijn pas in en legde zijn vlakke hand op diens voorhoofd. Wat als een teken van naastenliefde bedoeld was werd door mijn vader opgevat als een serieuze bedreiging.
´Handen thuis! Als u mij aanraakt bent u zwaar de klos´. Bedremmeld dropen de evangelisten af. Ook voor mij bleef de deur naar de gang openstaan. Op het moment dat ik de trap opliep om naar mijn kamer te gaan, zag ik het kleurloze tweetal het tuinpad van onze buren opkomen.
Mijn ouders wilden wel degelijk God aanvaarden. Alleen niet de God zoals ik die wilde beleven. De theatrale God werd krachtig het huis uitgebonjourd en ik moest op zoek naar een plek waar mijn theater wel gespeeld kon worden.
Dankzij de ouders van mijn jong overleden vader bleef God voor mij bestaan. Hij werd zelfs tastbaar. Met God bestond er ook een bestemming voor mijn vader. Hij was immers terug bij ´de grote baas´. Wanneer ik naast oma in de kerkbanken zat raakte ik in de ban van haar zuivere aanbidding. Oma was de enige parochiaan die de gehele Heilige Mis geknield bleef. Haar handen bleven een uur gevouwen, alleen de duimen masseerden elkaar. Dit was de plek waar ze zich werkelijk geborgen wist, waar haar verlossing voelbaar werd en de woorden klonken die haar troost gaven. Haar extatische gelaat huilde zonder dat er tranen stroomden. Deze nederige overgave stond in een scherp contrast met het ijdele theater dat opa opvoerde wanneer hij met het koor door het middenpad ter communie ging. Wetende dat de parochie de koorleden tijdens deze ceremonie begluurde, keek mijn grootvader trots uit de ogen en maakte een brede glimlach. Zijn hoge leeftijd boezemde de kerkgemeenschap een ontzag in waar hij zichtbaar van genoot. Met deftige passen beende hij door het middenpad alsof hij zeggen wou: ´Ja, ja mensen. Ik weet dit al jaren en zal weldra het hemelsparadijs binnen mogen´. Daar waar oma zich aan God overgaf ging opa krachtig voor Hem staan. Voor mijn grootvader was God voornamelijk een rijk decor waarvoor hij als een geliefd artiest op en af kon komen.
Een paar keer per jaar mocht ik in dat paradijs komen logeren. Zo ook tijdens de herfstvakantie, een paar jaar voor het bezoek van de Jehovagetuige bij ons thuis. Krom over mijn stuur gebogen fietste ik als een bezetene, tegen de wind in, naar hun huisje aan de dijk. Daar brandde de kachel, stond een flikkerend kruis voor het heilighart-beeld, hing de paus aan de schoorsteenmantel, stond Godfried Bomans op de boekenplank en had opa een Maria-grotje in de tuin, onder de eik, gebouwd. Terwijl er een vlucht wilde ganzen overvloog opende ik het tuinhek en rolde mijn fiets door het grind naar de knotwilg. In het houten halletje snoof ik de geur van de gehaktballen en de boerenkool op. Voor het nisje boven het klompenplankje bleef ik even naar een nieuwe frivoliteit van opa kijken. Recht tegenover de keukendeur stond een tinnen miniatuurtje van de Sint Pieter, een souvenir uit Rome. In het eenvoudige huisje van mijn grootouders stonden de grootste kerken en kathedralen. Oma stond gebogen achter haar stomende gasfornuis. De pannen ratelden terwijl ze wankelend met haar staarogen de hoogte van de vlam inschatte. Ze deed het vuur eerst hoger, dan weer lager. Ze veegde haar puntige vingers af aan haar schort, wierp een blik op de klok en haalde haar hand door haar haren. Haar geitenwollen sokken bolden als pantoffels aan haar voeten. Deze momenten, waarop zij mij nog niet in de gaten had en ik haar in stilte kon observeren, koesterde ik. Het was haar kwetsbaarheid en eenvoud die me telkens opnieuw ontroerden. Haar stramme handen die ze als kam gebruikte maar waar ze haar haren enkel nog meer mee in de war bracht, haar bril die ze schoonwreef aan een te vet doekje die de glazen nog meer vlekken gaf of haar klapperende kunstgebit waar ze vaak mee speelde en met haar tong verkeerd teruglegde waardoor ze handmatig moest ingrijpen. Haar onbeholpenheid en totale desinteresse over hoe ze er bijliep maakte het extra leuk om haar te betrappen. Op het moment dat ze mij in het oog kreeg werd er niets gladgestreken of rechtsgezet, ze zag enkel mij. Haar linker mondhoek ging omhoog en ze zoemde een gelukzalig geluidje.
´Oh liefje, ben je daar! Geef die tas maar snel hier, jochie. Mmm… Je had wind tegen zeker? Kom maar lekker zitten, ik ben thee aan het zetten´.
Als een prins nam ik plaats in de oude leunstoel van opa. Op de armleuning zette oma mijn kopje thee, met op het schoteltje twee speculaasjes.
Vanuit de woonkamer klonk een bombastisch betoog van mijn grootvader. Oma voorzag deze woorden van een ironisch commentaar. Ik stond op en liep naar de deur van de woonkamer. Door de kier zag ik opa brede armgebaren maken. In zijn rechterhand smeulde een sigaar die in het luchtledige sierlijke lijnen achterliet. Voor opa zat een bevriend koorzanger achter een citroenjenevertje met ontzag ja te knikken. Op de tafel lag het Katholiek Nieuwsblad opengeslagen, opa drukte zijn wijsvinger meerdere malen stevig op het papier. ´Kijk Nico, hier sta ik. Zie je wel, naast monseigneur Hendriksen! Ja, dat was een buitengewoon interessante middag. Hij luisterde ook zeer geboeid naar mijn verhalen…´
´Oh, hij was zo geboeid!´ schamperde oma terwijl ze de bloemkool afgoot.
´Hij zij nog tegen mij: “Antoon, zoals jij het geloof beleeft, zo hoort het!”´
´Zo hoort het! Ach vader, we doen allemaal ons best. We doen allemaal ons best´.
Oma haar kanttekeningen drongen inmiddels door tot in de huiskamer. Daar waar opa haar woorden negeerde door nog maar eens de foto uit de krant omhoog te steken, kon je aan Nico zijn gelaatsuitdrukking merken dat hij het commentaar uit de keuken met genoegen volgde.
´Ik heb het ook nog uitgebreid met hem over het mirakel van Bernadette Soubirous gehad. Pastoor Triemstra sprak er onlangs nogal onduidelijk over tijdens onze parochieavond. Ik kon mij niet aan de indruk onttrekken dat de verschijningen van Maria aan Soubirous door onze eerwaarde, op zijn zachtst gezegd, niet geheel serieus werden genomen. Zoals Triemstra erover sprak, dat stond in geen enkele verhouding tot de verklaringen die Rome, rondom haar heiligverklaring in 1933, over haar gegeven heeft´.
´Wat zei de monseigneur?´ Nico stelde de vraag met een hunkering die gelijkstond aan die van een kind dat een enorm paasei in het struikgewas vindt.
´De monseigneur kon slechts bedroefd het hoofd schudden´ sprak opa dramatisch. Voorzichtig duwde ik met mijn voet de deur naar de woonkamer iets verder open. Dit om er voor te zorgen dat mijn oma´s commentaar opa en Nico niet zou ontgaan.
´Pastoor Triemstra is een uitstekende man. Uitstekend is hij! En hij kan prachtig over Maria preken!´
´Het gaat er niet om hoe hij over Maria preekt maar hoe hij over haar verschijningen aan Soubirous spreekt´.
´Ach vader, is dat nou werkelijk van belang? Bekijk het journaal! Dat is pas ellende!´
´Nog een borreltje Nico?´ Nico knikte gretig en opa schonk met een royaal gebaar zijn koorvriend bij. Hij morste wat van de jenever over Nico’s vingers die bij het voetje van het glas lagen. Nico likte zijn vingers gulzig af. Hoewel ik intens genoot van oma´s ironische geluiden die opa´s praatjes licht deden verkleuren, voelde ik ook jaloezie. Mijn opa stond in een voortdurende omarming met een kerk waarin ik, vooralsnog, geen rol van betekenis kon spelen. Daar waar hij onder het brengen van Latijnse gezangen door het middenpad ter communie kon gaan en enkele hoofdrolspelers van onze kerk persoonlijk sprak, kon ik niet meer dan enkel fantaseren over mijn eigen, lege, kerk. Ik dronk mijn thee op, gaf mijn oma een zoen en vloog naar het halletje. Uit de nisjes boven het klompenplankje trok ik diverse artikelen: Een tinnen vaas (offerbeker), een plastic Maria met wijwater (fraaie lichtzinnigheid), een stoffer en een glazen bierpul uit Antwerpen (wijwaterkwast met vat) en een verbogen kandelaar met kaars (voor op het altaar). Met deze spullen dook ik onder een spinnenweb door naar de, door mijn opa bijgebouwde, schuur. Daar griste ik uit een oude kist een lange winterjas en een enigszins hoge herenhoed (bisschopsmijter), uit het rek tuingereedschap pakte ik een lange schoffel (staf). Met deze rekwisieten ging ik naar buiten, liep om het kippenhok door het poortje naar de sloot. Het werd al duister en het regende stemmig. Ik opende opa´s werkschuurtje. Op zijn werkbank maakte ik wat ruimte voor het altaar. In een la vond ik een pakje lucifers waarmee ik de kaars aanstak. Ik klopte de stof van de jas en de hoed en verkleedde me. Van de wand nam ik het oude medicijnkastje dat nu dienst deed als spijkerkist. In verschillende appelmoespotjes zaten spijkers van diverse maten. De potjes gingen eruit en de plastic Maria kreeg haar plaats tussen de twee plankjes van het kistje, het deurtje bleef open. Met het kastje boven mijn hoofd stapte ik statig de regenbui in. Over het grind liep ik knarsend mijn eigen processie langs hek, kippenhok en sloot. Bovenop het bruggetje naar de boomgaard toonde ik het volk ons icoon. ´Laten wij aanbidden!´ riep ik met mijn laagste stemgeluid over de doodstille sloot. Een verdwaalde eend dook op uit het riet. Ik draaide mij om en liep dezelfde route terug naar mijn kerkje in opa´s werkschuur. Toen ik langs het kippenhok liep ging de voordeur open. Opa liet Nico uitgaan. Mijn grootvader, nog steeds sprekend over pastoor Triemstra zijn nalatigheid, kreeg mij in het oog. Ik weigerde mijn toneelstuk te onderbreken en bleef in mijn plechtige houding staan.
´Kijk, daar gaat ons pastoortje. Die heeft zijn eigen mirakel bij zich. Kijk eens hoe fier hij de moeder Maria ronddraagt!´ Sprak mijn opa geamuseerd terwijl hij Nico op zijn arm tikte. De heren keken mij glimlachend na. Ik sloeg rechtsaf achter de heg langs, de toeschouwers van de processie negerend. Terug in de kerk moest ik de kaars opnieuw aansteken, de wind had hem uitgeblazen. Door de kieren van het hout zag ik mijn opa Nico nog steeds toespreken. Opa had een publiek daar waar mijn kerk leeg bleef. Mijn opa kon samen met zijn toeschouwer geringschattend mijn mirakel gade slaan…
Terwijl ik opa door het grind terug naar huis hoorde lopen en de kippen, vanuit het niets, imposant begonnen te kakelen, zegende ik de Heilige Maagd. Ik moest luid spreken om boven de regen, die weldadig op het schuurdakje neersloeg, uit te komen. Terwijl ik opging in mijn mirakel stootte ik tijdens mijn preek tegen een roestig verfpotje. De kwast rolde onder het altaar en liet een streep verf achter. Ik kreeg, vol van afgunst aangaande mijn opa´s succesvolle rol, een heldere ingeving. Ik raapte de kwast op en tikte ermee tegen de deur. Er bleven wederom een paar strepen staan. Ik zou mijn opa eens een mirakel laten beleven! Mijn kerk zou nooit meer leeg zijn.

Die nacht stopte mijn oma me in. Het beddengoed werd strak onder het matras geschoven en sloot mij teder op. Ze bad met mij. Fluisterend. Voor vrede, voor een zalig weerzien met mijn vader, voor een goede nacht met een staakt het vuren daar waar het oorlog was. We luisterden samen naar de stilte, ik kreeg een kruisje op mijn voorhoofd en zag hoe ze, op de tast, over mijn bed heen boog en met haar lippen mijn mond zocht.
Nadat het luik van het trapgat achter haar was dichtgevallen, haar sloffende passen zich hadden verwijderd en het licht in het halletje uit was, begon het lange wachten. Mijn hand vond het kwastje dat ik in een plastic tas onder mijn kussen had verstopt.
Door de vloer hoorde ik de tune van de KRO, ik hoorde dat de veren in mijn opa´s leunstoel zich spanden. Buiten was het stil. Een enkel voertuig hoorde je van ver aankomen en wierp een lichtbundel over het plafond. In de verte, achter de boomgaard, denderde de trein naar Rotterdam. Wim Sonneveld keek me vanaf zijn poster aan de muur streng aan. Voordat ik in slaap viel hoorde ik het piepen van de keukendeur.
Ik schrok wakker. Het was me niet gelukt te waken! Opgelucht constateerde ik de duisternis, het was nog niet te laat. Ook begreep ik redelijk vlot wat mij gewekt had. Naast de klerenkast zag ik het silhouet van mijn opa. Zwaar ademend stond hij boven de pispot. Zijn bleke hangbillen deinden zachtjes op en neer. Met een luid geklater liet hij zijn nachtelijke overschot ontsnappen totdat het eindigde in een klein gedruppel. Met een ongemakkelijk gegrom hees hij zijn gele pyjamabroek op, met een klets sloeg het elastiek tegen zijn buik. Het matras boog krakend door toen mijn opa zich weer onder de dekens schurkte. Ik hield me stil totdat ik mijn opa’s regelmatige gesnurk weer hoorde. Voorzichtig kroop ik onder mijn laken uit, de kwast stevig in mijn handen houdend. Zachtjes sloop ik langs de steek. Met mijn tenen voelde ik dat mijn opa flink buiten de pot gepiest had. Dat had voor mij een groot voordeel want zo kon ik aan de zwaarte van het bouquet ruiken dat het tegen het einde van de nacht liep. Het betrof hier een zeer sterke afscheiding die zijn kracht te danken had aan de lange tijd die het in de blaas van mijn opa had mogen rijpen. Nog even luisterde ik naar het tevreden gesnurk van mijn grootvader, toen opende ik voorzichtig het trapluik en sloop de trap af. In de woonkamer was alles zwart. De kachel pruttelde op zijn laagste stand. Naast de radio bevond zich een klein schemerlampje dat ik, tot mijn grote blijdschap, in één beweging te pakken had. Een zacht lichtbundeltje vulde de verlaten woonkamer. Op de eettafel lag het zeil voor het ontbijt al klaar. De kopjes stonden omgekeerd op de bordjes. Ik liep om de tafel naar wand met het heilighart-beeld. Van onderen keek ik naar de imposante Christus. Zo alleen, in de nacht, onder Hem… Lang brachten zijn strenge blik en zijn doorspijkerde handen mij nog aan het twijfelen. Een duister schuldgevoel deed mij woekeren in het aangezicht van God. Uiteindelijk sloot ik mijn ogen en trok ik de dichtstbijzijnde stoel naar mij toe. Toen ik deze beklommen had en oog in oog met de Heer stond pakte ik hem teder bij zijn enkels en keerde zijn gehele gedaante een kwartslag naar de wand. Ik stapte weer terug op de vloer, schoof de stoel onder de tafel en liep naar de muur. Vanonder mijn nachthemd pakte ik de kwast tevoorschijn en schreef op het blanke behang: Gij…
Tevreden bekeek ik het mysterieuze tafereel en sloot opnieuw mijn ogen. Ik fluisterde smekend om vergeving. Daarna deed ik het licht uit en liep geruisloos naar boven waar mijn bed veel te groot was geworden. Zo moeilijk ik de afgelopen nacht kon waken, zo makkelijk hield de spanning me die morgen uit mijn slaap.
Onder het kraaien van de haan was eerst mijn oma en daarna mijn opa naar beneden gegaan. Uit een gesprek van gisteren had ik opgevangen dat hij vandaag vroeg naar zijn moestuintje wilde gaan. Opa was aan mijn voeteneind stil blijven staan, zich verbazend over het feit dat ik nog sliep. Zodra ik hem de deur van het halletje had horen sluiten ging ook ik naar beneden.
´Goedemorgen, wat heb jij lekker liggen slapen mannetje´. Mijn oma schoof me mijn bordje met beschuit toe. Opa zat al luid smakkend en slurpend te ontbijten. Met pretoogjes keek hij mij aan. ´Dat mag ook wel in de krant zeg. Dat hebben we nog nooit meegemaakt dat jij als laatste uit bed bent´.
Nadat ik een eerste hap genomen had bevroor ik. Met een gefixeerde blik op het heilighart-beeld acteerde ik verwondering. Opa volgde mijn blik. Met een trillende wijsvinger wees ik op mijn wonder. Opa draaide grinnikend zijn hoofd in mijn wijsrichting, mijn verbijstering leek hem te amuseren. Op het moment dat hij de verschoven Christus in het oog kreeg stopte zijn kauwen abrupt. ´Moeder Maria´ mompelde hij met een volle mond. Zijn trillende vingers lieten het beschuitje met suiker los boven zijn halfvolle theekopje. Ook oma keek nu op. Eerst geërgerd naar de plas thee voor mijn opa op tafel, direct daarna naar het beeld. Haar mond zakte open en traag begon ze met gevouwen handen een weesgegroetje te prevelen. Langzaam stond mijn opa op, pakte zijn rozenkrans en ging door de knieën. Uit eerbied voor hetgeen ons deze morgen toeviel knielde ik naast mijn grootvader neder. Door de dunne stof van mijn opa´s nachtgoed zag ik dat hij een volle erectie had.
Vervolgens ging alles erg snel. Het huis ging ´aan kant´. Opa trok zijn zondagse pak aan, er werden schoenen gepoetst, ramen gezeemd en vloeren gestofzuigd. Alle kritiek op pastoor Triemstra was snel vergeten want mijn opa nodigde hem, middels een nerveus telefoontje, als eerste uit. ´Ik laat het geheel aan hem over hoe we dit naar de pers toe gaan brengen´ sprak mijn opa na het telefoongesprek toen hij oorzaak en gevolg weer kon overzien en als een echt heertje zijn eerste sigaar van die dag aanstak.
´Pers? Wat bedoel je pers? Ik wil geen circus in mijn huis hoor! Daar is Triemstra ook helemaal niet van gediend. Hij zal het huis zegenen en daarmee basta!´.
Mijn opa schrok van deze laatste opmerking. Zou pastoor Triemstra werkelijk alleen maar langskomen om met wijwater en wierook in de weer te gaan? Het zou hem toch niet gebeuren dat er, nu er in zijn huis een openbaring had plaatsgevonden, na het bezoek van de pastoor enkel stilte zou zijn? ´Maar moeder, de parochianen moeten toch immers op de hoogte worden gebracht? Wacht, waar heb ik dat…´ Opa bukte voorover in de krantenbak terwijl oma koffie ging zetten. Ik hield me zo stil mogelijk en genoot van alle opwinding en de tegenstrijdigheid tussen mijn grootouders. Terwijl mijn oma de keuken behendig transformeerde tot een keurige ontvangstruimte had mijn opa in de woonkamer gevonden wat hij zocht. Met het colofon van het Katholiek Nieuwsblad in de hand schoof hij zo stilletjes mogelijk achter het telefoontoestel. ´Goedemorgen, met Koning. Ik heb u een mirakel te melden. Hedenmorgen ontdekte mijn vrouw en ik…´ Mijn opa arrangeerde, achter mijn oma´s rug om, alsnog een ontmoeting met de pers. Om voor oma zijn telefoongesprek verborgen te houden had hij de deur van de keuken naar de woonkamer afgesloten. Hij sprak zacht maar met een niet te missen hooghartigheid. Ik opende de deur en vroeg aan mijn oma of ik haar ergens mee helpen kon. ´Opa is in gesprek dus ik kan me maar beter even in de keuken bezighouden´.
´Hoezo in gesprek? Is hij aan het bellen? Waarom is vader alweer aan het bellen?´ Link smeet ze haar afwasborstel in het teiltje. Ze stoof de woonkamer binnen waar opa zojuist de hoorn op de haak legde. Een uitermate tevreden ´zo!´ ontsnapte hem. `Ik wil het niet hebben vader, hoor je me? Ik wil het niet hebben! Pastoor Triemstra komt en dat is meer dan genoeg!´
´Gradda, begrijp nu toch dat de onze geloofsgemeenschap hiervan op de hoogte moet worden gebracht. Dit teken van hoop is niet alleen voor ons maar voor alle katholieken!´ De geďrriteerde toon waarop mijn opa deze woorden sprak deed het sociale aspect van zijn tekst verbleken. Mijn oma droop zuchtend en hoofdschuddend af. De ornamenten die opa op zijn revers droeg, de vlag van het Vaticaan en een donkerblauwe Maria, schitterden als nooit te voren in de ochtendzon die door de luiken naar binnen viel. Zenuwachtig stond hij daar als een ongeduldig kind naar buiten te turen. Toen pastoor Triemstra eindelijk arriveerde liep hij mij in zijn haast zowat ondersteboven.
Pastoor Triemstra werd hartelijk ontvangen. Mijn opa nam hem dwingend bij de arm en toonde hem de openbaring bij het beeld en op de muur. Triemstra boog zich over de tekst en rook aan de verf. Fronsend en zwijgend besprenkelde hij het Heilige teken en zong samen met mijn opa het Ave Maria terwijl de wierrook opsteeg en mijn oma met haar rozenkransje aan tafel zat. Het gezicht van de pastoor straalde niet bepaald de devotie uit die mijn opa en ik ons hadden voorgesteld. Toen Triemstra na de koffie zijn spulletjes bij elkaar scharrelde en richting hal wilde stappen, kwam mijn opa snel overeind en vroeg toch nog eens hoe het nu verder moest met de verspreiding van de blijde boodschap.
´U moest dit maar als een particulier wonder beschouwen. U heeft iets moois mogen ontvangen, koestert u dat´.
´Maar is het niet belangrijk dat we de hoop, de openbaringen doorgeven?´
De pastoor draaide zich kalm om en keek mijn opa langdurig aan. Je kon horen hoe zijn hersens krakend een weg zochten naar de juiste woorden voor mijn grootvader.
´Ik dank u voor uw uitnodiging, meneer Koning. Toch heb ik meer te doen dan enkel bezoekjes af te leggen aan mensen die de komst van de Heer een handje helpen´. Hij maakte een zegenend gebaar, zette zijn hoed op en stapte het grindpad op. Toen Triemstra bijna bij de heg was parkeerde er op de dijk niet alleen een busje van het Katholiek Nieuwsblad maar ook een auto van de Telegraaf. Twee mannen, gewapend met fototoestellen, stapten tegelijkertijd uit. Ik ving nog net een verontwaardigde blik van de pastoor op en stoof toen naar binnen, scharrelde mijn kwast tevoorschijn en maakte mijn zin op de muur af: Gij zijt ijdel! Ik wikkelde het schildergereedschap behendig in het plastic en legde deze achter de servieskast in de keuken. Ik was net op tijd. De kwast lag nog niet op zijn plek of opa kwam met de journalisten naar binnen. Oma volgde later en bleef bij mij in de keuken. Daar hoorden wij opa meermalen vragen hoe hij plaats moest nemen voor de foto.
Een paar weken later verscheen mijn grootvader in zowel het Katholiek Nieuwsblad als in de Telegraaf. In vol ornaat zat hij voor de mysterieuze tekst met een brandende sigaar tussen zijn vingers. Dat mijn opa, nadat hij de volledige tekst op de muur gelezen had, het afdrukken van de foto niet meer tegen kon houden, speet hem zeer. De parochianen reageerden zeer gemengd op de krantenartikelen. Nu nog wordt mijn opa regelmatig op een feest of partijtje gekscherend ´De Paus van de Dijk´ genoemd. Ondanks alle pret heeft de parochie het mirakel herkend en aanbeden. Ook in onze familie wordt er nog regelmatig om het Godswonder gelachen. Alleen nooit waar mijn grootvader bij is. In zijn aanwezigheid wordt het wonder gerespecteerd. Opa zelf heeft het er nooit meer over gehad. Vijf jaar na het mirakel kwam er een nieuw behang.
Voor mij was dit avontuur het begin van mijn spel met God. Als het even kon liet ik hem verschijnen en voerde hem op in een toneeltje naar mijn smaak. Daar waar ik mijn opa ijdelheid verweet was ik in wezen jaloers op zijn innige omhelzing met de Almachtige. Ik wilde God aanraken, opvoeren, laten oordelen en zekerheid geven. Ik was niet minder orthodox dan mijn grootvader. Ik hield van zijn prachtige aanbidding en mis God elke dag.

Rik van Schaik 2004
www.rikvanschaik.nl
info@rikvanschaik.nl


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens