vrijdag 19 oktober 2018
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
GerJan van de Kamp - Het Meisje in de Put
Gepubliceerd op: 19-10-2004 Aantal woorden: 1080
Laatste wijziging: - Aantal views: 2269
Easy-print versie Aantal reacties: 1 reacties

Het Meisje in de Put

GerJan van de Kamp



Er was eens een meisje en die woonde in een put. Een donkere, diepe en natte put. Ze woonde daar al heel lang. Ze wist niet precies hoe lang. Al zo lang als ze kon bedenken.
Ze wist niet zo goed hoe ze in de put was gekomen. Of waarom.
Er was geen trap. En ook geen touw. Ze was daar maar gewoon.
Ze had niet veel te eten, maar ze had ook nooit veel honger. Soms viel er een appel in de put.
In de put was wel water. Dat kon ze drinken, dus ze had nooit dorst. Gelukkig was het water niet diep. Het kwam maar tot haar enkels. Maar nu moest ze wel de hele tijd staan. Ze kon niet gaan zitten. Dan werden haar kleren nat.
Soms zag ze de zon boven de put. Er viel ook wel eens regen in de put. Dan ging ze tegen de wand staan om te schuilen. Vaak zag ze vogels over vliegen.
Ze vond het wel leuk in de put. Misschien denk je nu: Dat is raar. In zo’n donkere, diepe en natte put kan het toch niet leuk zijn?
Maar ze vond het wel fijn. Er gebeurde niet zoveel. Soms keken er wel eens mensen over de rand. Die zagen haar daar staan en zeiden dan: ‘Kom er toch uit! Het is hier heel mooi!’
Maar het meisje wilde niet uit de put.
Ze was wel eens buiten de put geweest. Ze was een keer met mensen naar de stad gegaan. Die hadden tegen haar gezegd: ‘Je moet met ons mee naar de stad! Daar is het heel gezellig! Dan wil je vast nooit meer terug naar de put!’
De mensen hadden een touw in de put gegooid. Het meisje had het touw gepakt. En toen trokken de mensen heel hard. Ze trokken haar naar boven. Samen met de mensen ging ze toen naar de stad.
In de stad waren heel veel mensen. En heel veel lawaai. Er was daar zoveel lawaai dat ze de vogels niet kon horen. En dat vond ze zonde. Want vogels klinken heel mooi. En als je in een put woont, hoor je dat heel goed.
Ze ging snel terug naar de put. Het touw hing er nog. Ze klom snel weer naar beneden.
Ze vond het buiten de put dus niet leuk. Ze bleef liever in de put. Daar was het lekker rustig. En dan kon ze luisteren naar de vogels. En kijken naar de zon.

Een keer kwam er een man langs. Hij keek over de rand en zei: ‘Maar wil je dan niet zitten? Want nu moet je de hele tijd staan!’
En dat was zo. De bodem van de put was nat. En ze had geen bankje. Dus toen zei ze: ‘Jawel, ik wil wel zitten. Maar ik wil niet uit de put.’
‘Dat hoeft ook niet.’ zei de man toen. ‘Ik laat wel een bankje naar beneden zakken.’
En dat deed hij toen. Hij bond een dik touw om een houten bankje. Deze liet hij in de put zakken. ‘Dank je wel!’ zei het meisje. ‘Nu kan ik eindelijk zitten.’
‘Alsjeblieft.’ zei de man. ‘Weet je zeker dat je niet uit de put wilt?’
“Ja, dat weet ik zeker.’ zei het meisje. ‘Het is hier namelijk heel mooi.’
Toen ging de man weer weg.

Nu vond het meisje het helemaal leuk in de put. Ze kon lekker zitten op haar bankje en kijken naar de vogels.
Soms zag ze ook een poes of een vos. Die keek dan over de rand van de put. Maar die zeiden nooit wat. Dat is natuurlijk niet raar: poezen en vossen kunnen namelijk helemaal niet praten!

Een keer keek een jongen over de rand. Hij keek heel lang naar beneden. Het meisje dacht dat hij ging vragen of ze uit de put wou. Maar dat vroeg hij niet. Hij zei helemaal niets. Hij keek alleen maar naar haar. Ze vond dat maar vreemd.
De jongen stond daar heel lang. Na een hele tijd ging hij pas praten.
Toen vroeg hij iets heel raars.
Hij vroeg: ‘Mag ik ook in de put?’
Het meisje schrok. Dat had nog nooit iemand gevraagd! Ze dacht erover na. Het was misschien wel leuk. Dan kon ze met iemand praten. Ze keek naar het bankje waar ze op zat. Er kon nog wel iemand naast haar zitten. Het was namelijk een bankje voor twee kinderen.
‘Jawel, jij mag ook in de put.’ zei het meisje tegen de jongen.
‘Hoe kom ik in de put?’ vroeg hij.
‘Dat weet ik niet. Er wilde nog nooit iemand naar beneden. Iedereen vroeg alleen maar of ik naar boven wilde.’ zei het meisje. ‘Ik ben wel eens buiten de put geweest. Toen hadden mensen een touw naar beneden gegooid. Die hebben me toen naar boven getrokken.’
‘Wacht maar.’ zei de jongen en weg was hij.
Ze wachtte. Ze moest heel lang wachten, want de jongen bleef een hele tijd weg.
Pas toen de zon onder was, kwam hij weer terug.
‘Waar was je?’ vroeg het meisje.
‘Ik ging dit touw halen.’ zei hij en toen liet hij het touw zien. Het was een heel sterk touw.
‘Ik bind het hier boven vast en dan kom ik naar beneden.’ vertelde de jongen.
Dat deed hij. Het duurde heel lang voor hij beneden was, want het was een diepe put.
‘Hallo.’ zei het meisje, toen hij eindelijk beneden was.
‘Hallo.’ zei de jongen terug.
‘Mag ik ook op de bank?’ vroeg hij.
‘Ja, dat mag.’ zei het meisje en ze schoof opzij.
Toen zaten ze samen op het bankje en keken naar boven.
‘Wat is het hier mooi.’ zei de jongen.
‘Straks komen de vogels. Dat is nog mooier.’ zei het meisje.
En ze wachtten totdat de zon er weer was. En toen kwamen de vogels. Dat vond de jongen heel mooi.
Nu zaten ze samen op het bankje in de put. Ze vonden het allebei heel leuk in de put.
Soms keken er wel eens mensen in de put. Die vonden het maar raar. Maar het meisje en de jongen vonden het heel gezellig in de put.
Samen keken ze naar de vogels en de zon. En soms naar de poes en de vos. En als het regende, gingen ze samen schuilen onder de wand.
Ze gingen er nooit meer uit.



@ 21-06-2015 15:35:42




Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2018 Geoffrey Reemer en René Claessens