dinsdag 21 november 2017
Snel naar rubriek:
Inloggen      Registreren
Space Indian - De (waan)zin van het bestaan
Gepubliceerd op: 29-09-2004 Aantal woorden: 1121
Laatste wijziging: - Aantal views: 1500
Easy-print versie Aantal reacties: 0 reacties

De (waan)zin van het bestaan

Space Indian


Thales van Milete, Anaximander, Anaximenes, Pythagoras van Samos, Heraclitus van Efese, Parmenides van Elea, Empedokles, Anaxagoras, Protagoras van Abdera, Gorgias van Leontini, Socrates, Plato, Aristoteles, Epicurus van Samos, Pyrrho van Elis, Plotinus, Aurelius Augustinus, Johannes Scotus Eriugena, Anselmus van Canterbury, Petrus Abaelardus, Albertus Magnus, Thomas van Aquino, van Bingen, Magdeburg, Eckhart, Nicolaas van Cusa, Giordano Bruno, Galileo Galilei, Johannes Kepler, Francis Bacon, Thomas Hobbes, Thomas More, Nicolo Machiavelli, Rene Descartes, John Locke, George Berkeley, David Hume, Benedictus de Spinoza, Gottfried Wilhelm Leibniz, Jean-Jaques Rousseau, Voltaire, Immanuel Kant, Johann Gottlieb Fichte, Friedrich Wilhelm van Schelling, Georg Wilhelm Friedrich Hegel, Ludwig Feuerbach, Karl Marx, Friedrich Engels, Auguste Comte, John Stuart Mill, Arthur Schopen hauer, Soren Aabye Kierkegaard, Friedrich Nietzsche, Henri Bergson, Edmond Husserl, Max Scheler, Moritz Schlick, Rudolf Carnap, Ludwig Wittgenstein, Martin Heidegger, Jean-Paul Sarte, Ernst Bloch, Herbert Marcuse, Max Horkheimer, Theodor W. Adorno, Claude Levi Strauss, Space Indian, Jij, …

Zomaar een kleine greep individuen die wat vonden waarmee gelijk de verschillendheid van vinden bekeken dient te worden. Daartoe zou men beroep kunnen doen op de beperking’ tijd’ die mijn inziens niet ter sprake is waarbij voortvloeisels uit ‘vind’ dan wel ‘vond’ gelijkgesteld kunnen worden.


Ter uitgangssituering eerst maar een terugkoppeling voortvloeiend uit ‘Reis naar de morgenstond’:

‘Wij zijn allen individuen die gevormd worden door vorming van anderen’


Individu dient losgekoppeld te worden waarna er interpretatief slechts sprake dient te zijn van de minimale combinatie betreffende gedefinieerde substanties ‘gedachte’ en ‘uitgebreidheid’. Het juiste betreffende kan getoetst worden onder een beperking ‘a’:


a (gedachte, uitgebreidheid, …)


Dit wel mits uitgegaan wordt van gedefinieerde substanties. Echter zal ik deze substanties loskoppelen van afhankelijkheden dan wel onafhankelijkheden en elk mogelijk element van mogelijke cartesische producten als zodanig te beschouwen onder een beperking ‘a’.

Noch de substantie ‘gedachte’ noch de substantie ‘uitgebreid’ zal als zodanig kunnen voorkomen, waarbij gesteld wordt dat slechts die minimale combinatie ofwel associatie onder de definiëring ‘beperking’ kan bestaan. Waar die ‘gedachte’ geassocieerd kan worden met meerdere ‘uitgebreidheden’ kan onder zelfde stelling die ‘uitgebreidheid’ geassocieerd worden met meerdere ‘gedachten’.








Indien er uitgegaan moet worden van substanties buiten de substanties ‘gedachte’ en ‘uitgebreidheid’ die zodanig invloed uitoefenen op een associatie tussen ‘gedachte’ en ‘uitgebreidheid’ dat tussen een betreffende ‘gedachte’ en ‘uitgebreidheid’ er sprake dient te zijn van meerdere associaties zou de associatie (onder gedefinieerde noemer ‘beperking’) als substantie op zich dienen te bestaan.

Hierbij zijn die substanties die buiten de substanties ‘gedachte’ en ‘uitgebreidheid’ dienen te bestaan gezamenlijk gedefinieerd onder de noemer ‘substantie’. De mogelijke NULL-waarde betreffende ‘substantie’ in associatie met ‘beperking’ kan door mogelijke definiëring van ‘substantie’ net zo mogelijk als NOT NULL getypeerd worden.

Hierbij dient ook opgemerkt te worden dat de multipliciteit die duid op meerdere substanties in associatie met een beperking en vice versa niet duid op een veel op veel associatie maar om tekentechnische redenen op deze wijze is weergegeven.

Onder invloed van ‘substantie’ zou betreffende ‘beperking’ als uniek beschouwd kunnen worden. Mochten we niet uit mogen gaan van ‘substantie’ dan zou er bij betreffende ‘beperking’ sprake zijn van een andere ‘beperking’ te weten die gebaseerd op een associatie tussen een daardoor andere gedefinieerde ‘gedachte’ dan wel ‘uitgebreidheid’.

Gesteld kan worden dat er slechts sprake hoeft te zijn van ‘beperking’ als substantie. De mogelijkheid tot overige attributen is opengelaten in de vorm van ‘…’ (in deze hoedanigheid zal ‘beperking’ gevormd worden door een N-aire associatie).

Op basis van een ‘beperking’ als element ‘a’ stel ik het volgende:





Hierbij is er voor elke ‘a’ sprake van eenduidige interpretatie waarbij uitgegaan kan worden dat indien er sprake zal zijn van meerduidige interpretatie er niets meer dan sprake van meerdere ‘a’’s is. Binnen ‘A’ is er dan ook geen sprake van redundantie betreffende ‘a’’s.

Bij toepassing van ‘a’ binnen het begrip individu zal er sprake zijn van een zogenaamde deelverzameling bestaande uit ‘a’’s binnen ‘A’. Zelfs al zou die instantie dan wel object, dan wel entiteit dan wel welke beperking dan ook in staat zijn om zich dusdanig als (op basis van constante gelijkheid in elementen) deelverzameling ten opzichte van echte deelverzameling te kunnen onderscheiden in relatie tot ‘A’ dan nog zal die beperking niet totaal zijn.


Bestaansrecht uitgaande kan gesteld worden:



uitgaande van een ten opzichte van een A kan een nieuwe vereniging gedefinieerd worden


Bestaansrecht uitgaande kan vervolgens weer gesteld worden:

( A È ) Þ


Logica-technisch gezien geldt:



Æ

Op basis hiervan kan de volgende propositie gesteld worden:

Æ

Logica-technisch geldt qua equivalentie:

Æ Æ

Æ Æ

Æ Æ Æ

Æ Æ Æ

Indien we de logica wetten toepassen op het bestaansrecht van ‘ komen we tot een gelijkstelling Æ waardoor ‘A’ zelf ook zijn bestaansrecht lijkt te verliezen. De overzienbaarheid van ‘A’ is medebepalend door ‘n’. Zelfs onder voorbehoud dat ‘n’ vervangen kan worden door ¥ kunnen we ons afvragen hoe nietig A is ten opzichte van . ‘A’ zal niet anders kunnen zijn dan een echte deelverzameling van ( tevens als geldt = Æ is ‘ het minimale extra element binnen ten opzichte van ‘A’). Indien door toepassing van de logica-wetten op bestaansrecht gelijkgesteld wordt aan Æ zou geconstateerd kunnen worden dat de kwantitatieve factor ¥ geen invloed uitoefent op de kwantiteit Æ.

Gesteld wordt dat de omvang A niet ter zake doet als totaal aan kwantiteit ‘a’’s ten opzichte van de kwaliteit betreffende ‘a’’s.

Gesteld wordt dat kwaliteit van toepassing dient te zijn op hoeveel ‘a’’s dan ook welke zich representeren op metanivo als substantie’ BEPERKING’.

Elke voorkomendheid van ‘BEPERKING’ ontkomt niet aan het feit dat het gedefinieerd is op basis van toepassingsmogelijkheden binnen daardoor ontstane misplaatste arrogantie ten behoeve van mijn inziens daarom te bestempelen ULTIMI BARBARORUM.


Rest nog de morgenstond.

Uitgaande van ‘BEPERKING’ is er plaats voor waarbij door definiëring hiervan er al een stap teveel genomen is.

De morgenstond heeft zich geopenbaard in een vermoeden dat ik alleen waarschijnlijk nooit uit zou kunnen leggen…

Als hommage een afsluiting in de vorm van een citaat van de inspirator van mijn beperkingtheorie:



‘Alle voortreffelijke dingen zijn even moeilijk als zeldzaam’


Er zijn geen reacties op deze tekst.


Het plaatsen van reacties kan alleen als u ingelogd bent. Klik hier om naar de inlogpagina te gaan.


Copyright © 2002-2017 Geoffrey Reemer en René Claessens