Klik hier om terug te gaan naar de web-site versie.

Metamorfose

Henk Gruys



De laatste paar jaar, zoals hij zich herinnerde, was het alsmaar erger geworden. Braam Braams kon tegenwoordig geen winkel, geen postkantoor, geen caf meer binnenkomen of alle aanwezigen, inclusief personeel, vestigden onmiddellijk het oog op hem, begonnen besmuikt te grinniken of hem openlijk uit te lachen, op z'n minst elkaar aan te storten en in het oor te fluisteren, terwijl ze, meestal onverholen, naar hem bleven kijken.
    Hoe was dit zo gekomen? Vroeger had dit zich nooit voorgedaan, al was het wel, nu hij er dieper over na begon te denken, misschien in een verraderlijke kiem aanwezig geweest. Maar meer dan "jij met je apekop" hadden ze eigenlijk nooit tegen hem gezegd. En ook nimmer om hem gelachen. Op de middelbare school had men, hoewel hij niet bepaald tot de populairsten behoorde te verlegen eveneens nooit kluchtig op hem gereageerd.
    De eerste keer dat het hem overkwam hij herinnerde het zich nog onuitwisbaar had hij nog gedacht dat er iets met zijn kleren niet in orde was, hij een winkelhaak in zijn overhemd had, de rits van zijn broek openstond of zoiets. Maar nee. Er moest evenwel iets belachelijks aan hem zijn, want kwam hij tegenwoordig de sporthal binnen, een restaurant of een wachtkamer, dan steeg er direct een hinderlijk gegiechel op. En juist om hem, om hm die altijd met zoveel zorg gekleed was, met nette kostuums, passende overhemden, dassen van veertig, vijftig piek...
    Maar als het zijn kleren niet waren, wat dan?.. Toen hij op een keer op een door het bedrijf waar hij werkte georganiseerde kennismakingsparty was, in een veel te luxe gelegenheid, en het besmuikte gelach, als hij binnenkwam, of alleen maar door de zaal liep, weer telkens waarneembaar was, dacht hij ineens kwaad: En nu wil ik het weten!
    Hij was boos naar een meisje toegestapt dat bijzonder lelijk en verlegen was, en had haar gevraagd wat er dan toch voor leukigs aan hem te zien was. Maar daarop had het meisje haar ogen weggedraaid, geglimlacht en zacht geantwoord dat er helemaal niets was.
    Daarna was hij nog naar een van de jongemannen gegaan degene die hij in stilte leiderseigenschappen toedichtte, iemand met een gebruind gelaat, zo aan de zonnebank ontstegen, die er zeer zelfverzekerd uitzag en altijd op de belangstelling van de aanwezige jonge vrouwen en meisjes leek te kunnen rekenen. En hij stelde hem de vraag waarom men toch voortdurend zo om hem moest lachen.
    Maar de jongeman, die tegen de vleugel had geleund, terwijl hij in gesprek was geweest met een donker meisje met heel gemene filmster-ogen, had zich naar hem omgedraaid, hem even aangekeken, niets gezegd en was vervolgens luid lachend weggelopen richting bar.
    Het begon steeds meer Braams gedachten te beheersen. Er was nog nauwelijks een uur in zijn leven dat hij zich niet met het verschijnsel bezighield. En het ergste was dat zijn verlegenheid en onzekerheid erdoor alsmaar groter werden. Slechts wanneer hij werkte in zijn kamer van het grote verzekeringskantoor, hij had een behoorlijke baan kreeg hij door de afleiding van zijn werk en doordat hij, op een paar secretaresses na die concepten voor hem uittypten, en verder nauwelijks iemand behoefde te ontmoeten, enige rust. Die secretaresses lachten nooit. "Dat had er ook nog bij moeten komen," dacht hij gemelijk. "Dan had ik ze per omgaand de laan uitgestuurd, allebei."
    Ik moet dit probleem aanpakken, zei hij bij zichzelf, als hij weer eens gedeprimeerd terugkeerde van een bezoek aan de bioscoop, het gemeentekantoor, of een caf. Of dacht hij: was ik maar een ander type, zo eentje met een judo-postuur met kale kop, dan ramde ik zo dat hele zootje achter die glazen en koffiekopjes vandaan.
    Maar een eind maken aan alle moeilijkheden zou dat natuurlijk ook niet. En toch, oplossen mest hij dit, wilde hij niet steeds verder in dit volstrekt onhumoristisch isolement geraken. Ik wil mijn leven er niet door laten verpesten, dacht hij menigmaal.
    Hij stond in de slaapkamer van zijn vrijgezellenflat urenlang voor de spiegel zich af te vragen wat er dan toch zo lachwekkend aan zijn gezicht kon zijn. Je kon zeggen: hij was oerlelijk, maar toch ook weer niet lelijker dan andere oerlelijke mannen. Met geen mogelijkheid kon je beweren dat het zijn neus was die de lachlust opwekte, of dat hij rare ogen had of flaporen... Nee, het moest door de combinatie van het geheel komen, door de onderlinge verhoudingen. Die deugden niet. Daar hadden de mensen een onbarmhartig oog voor! Waarom anders lachte men in het circus om een clown als die opkwam, al had die nog niets van zijn act laten zien? Omdat die schoenen aan had die drie keer zo groot waren als zijn platvoeten! Omdat hij een kale kop had, maar aan de zijkanten haar tot op de schouders! De juiste verhoudingen waren zoek, dt was het! En zoiets mankeerde de laatste jaren blijkbaar aan zijn gezicht... Dat hij dat zelf niet merkte, kwam natuurlijk doordat hij zijn gelaat elke dag wel een paar keer zag; dan wende het! Een mogelijkheid om meer te weten te komen, was eens een half jaartje niet in de spiegel te kijken, maar ja...
    Om op een of andere wijze toch zekerheid hierover te krijgen nam hij de proef op de som door een gangsterhoed met brede rand te kopen, een grote shawl om te doen, en een regenjas met opstaande kraag aan te trekken.
    Wonder boven wonder werd er in de kledingzaak nauwelijks gelachen. Met de hoed diep in zijn ogen, de das grotendeels over zijn gezicht en zijn gabardine hoog opgeslagen, begaf hij zich naar de supermarkt. Hij zag eruit zoals men bij de filmindustrie meent dat een detective of stille smeris er moest uitzien. De winkelmeisjes stieten elkaar aan terwijl ze vanuit hun ooghoeken naar hem keken, maar daarbij bleef het eigenlijk.
    Hierdoor wist hij het nu zeker: het kwam door zijn gezicht! Nu hij de oorzaak kende, namen zijn problemen echter niet af. Integendeel! Zijn onzekerheid en angst voor de ongewenste lachgolven groeide nu nog. Hij werd schuw, ging in het vervolg slechts in uiterste noodzaak de straat op, al dan niet in zijn louche vermomming. En hij dacht steeds vaker: als dit nog lang duurt word ik gek!

Op een dag hij zat in zijn woonkamer in een exclusief tijdschrift te kijken diende de oplossing zich aan.
    Een postorderbedrijf bood aan: een zogeheten f i l m s t e r r e n -
m a s k e r , een in Amerika met uiterste zorg vervaardigd gelaatsmasker, van poreus en soepel materiaal, dat de gebruiker over zijn gezicht moest trekken, waarmee hij op slag veranderde in iemand waartegen geen man nog onheus durfde optreden en geen vrouw weerstand aan vermocht te bieden, zoals men het in de advertentie omschreef.
    Zoiets was niet geheel zonder bedenkingen, vond hij eerst. En dat masker was nog peperduur ook! Maar zijn belangstelling was gewekt. Hij wikte niet langer; nog diezelfde avond deed hij zijn bestelbon op de bus.
    Hij kon bijna niet wachten op de komst van het pakket. Toen het eindelijk arriveerde en hij het met trillende vingers had geopend, kon hij een kreet van verrassing niet onderdrukken.
    Het was dan ook prachtig; geen woord had het, meer dan Amerikaanse postbedrijf erover gelogen! Alle mannelijke eigenschappen van Humphrey Bogart zowel als van Steve McQueen, zo goed als die van Richard Gere of Don Johnson had dit masker in zich verenigd! En alles in perfecte verhoudingen!
    Het kwam er nu op aan het uit te proberen... Maar dan natuurlijk niet op straat, en ook niet in die stomme supermarkt. Toevallig was het weer de tijd voor de halfjaarlijkse kennismakings-party in het bekakte restaurant. Daarvoor liet Braam zich wederom inschrijven.
    Hij kleedde zich op de betreffende avond nog preciezer dan hij gewoonlijk al deed, besteedde uren aan het aanbrengen van het masker, waarvan de randen volkomen onzichtbaar onder zijn weelderige hoofdhaar schuil gingen. Absoluut verbluffend was het resultaat; zelfs dichtbij de spiegel was het verschil met een echte gezichtshuid niet te zien! Hij stapte in zijn wagen en reed naar de club, expres een half uur te laat, zodat iedereen al aanwezig zou zijn.
    In de garderobe deed hij hoed en shawl af, regenjas uit... Nog even een blik in de spiegel... Ja, werkelijk ongelofelijk dit... het leek als maakte een superster zijn opwachting voor de premire van diens nieuwste topfilm!
    Hij liep naar de hall, schepte adem, wierp de deur open, hoofd achterover als een machthebber, en stapte naar binnen...
    Het geroezemoes van de volle zaal, dat hij in de gang al had gehoord, verstomde heel even...
    Toen barstte er een gigantische lachbui uit honderden kelen los. Men sloeg zich op de knien van pret, bonsde met verkrampte gezichten op de tafeltjes. Sommige aanwezigen rolden kronkelend over de vloer, zij beukten uit pure ademnood op de panelen terzijde van de bar, minutenlang naar het scheen.
    Braam draaide zich om en wilde vlug wegbenen. Naar huis naar huis! raasde het in hem toen hij een hand op zijn schouder voelde. Hij keek recht in een vuurrood gezicht waarover nog lachtranen biggelden. Het was de jongeman van het lichtechte zonnebankdiploma, die schaterde: "Hahaha! Die Braam! Kom er gezellig bij en neem een borrel, hahaha! Maar doe eerst dat rare ding van je kop. Dat past helemaal niet bij je..."
    Maar Braam had zich al van hem losgemaakt, holde de deur uit naar de uitgang, vlak langs de juffrouw van de garderobe en nagestaard door de verbaasde portier, reed in vliegende vaart naar huis terug, en ging daar in het donker op zijn bed liggen nadenken.

Hoe moest het nu verder met Braam Braams? Een zielekundige zou, met Freud als achtergrond, hem eenvoudig aan het verstand kunnen brengen dat het probleem dat hij dacht te hebben, alleen en uitsluitend in hemzlf bestond. Er werd heleml niet om hem gelachen; hij dcht dat alleen maar. Omdat hij bijvoorbeeld net was binnengekomen op het moment dat iemand een grappig verhaal of een leuke mop had verteld. Of dat er eentje op straat een geintje uithaalde, terwijl hij, Braam Braams weer automatisch dacht het het allemaal over hm ging...
    Zijn langdurig gekwetste fantasie maakte hem dat wijs, terwijl de ware oorzaak van het verschijnsel door diezelfde fantasie verborgen werd gehouden. Op die manier hield je jezelf voor de gek. En zou je jezelf ook gek kunnen maken!

Braam Braams kende echter niet de luxe van zo'n zieleknijper of psycholoog. Toch ging er langzaam iets veranderen. Het gelach dat altijd en overal opklonk in zijn buurt, hinderde hem nog een maand of twee. Hij wende er geleidelijk aan.
    Of beter: het kon hem eigenlijk geen bal meer schelen. Want ach, de mensen lachen nu eenmaal vaak nietwaar, ook als er helemaal niets te lachen valt.
    Beslist eens in de maand nu haalde hij zijn prachtige masker uit de kast, zette het op en ging ermee naar het circus of naar de bioscoop.
    Of hij liep ermee te flaneren over de winkelboulevard, heel gezellig in de maneschijn.

Deze tekst is toegevoegd op 04-11-2017 door Henk Gruys .