Klik hier om terug te gaan naar de web-site versie.

Hoog in de kerk

Henk Gruys



Er heilig van overtuigd was Edsert, dat omhoog klimmen in een geheel lege Nederlandse hervormde kerk dè oplossing was om schadelijke en beangstigende dromerijen krachtig te bestrijden.
    Ook nu, op het uur dat hij met zijn ouders èn visite een wandeling door de buurt maakten om de laatsten bijzondere plekjes in de stad te laten zien, hield dit klimmen hem bezig. Hij was op enig moment zo verzonken in deze mijmeringen, dat hij veel te ver voor hen uit was gelopen. Na een paar straathoeken te zijn omgeslagen kon hij ze nergens meer ontdekken.
    Zo gauw hij merkte dat hij helemaal alleen was, ging hij via een stapeling van donkere materialen tegen de kerkmuur snel naar boven klimmen, naar waar een rond venster als een blind oog in de bakstenen gevel zat.
    Binnenin de kerk, helemaal in de hoogte begon hij zijn toer. Hoogtevrees kende hij niet. Hij klom via de gaanderijen en hanebalken krap langs de crème muren, waarlangs hij hekken met dunne, lange leuningen van een bruine kleur zag lopen, eindigend in een onbestemd niets. Er was binnen weinig licht, hij zag slechts grijze en bruine vlakken die kantelende schaduwen veroorzaakten op zijn netvlies. Hij klom met opzet traag, om de duur van de klautering zo lang mogelijk te laten lijken. – Hoe gelukkig voelde hij zich altijd bij deze activiteiten!
    Na enige tijd leek het of men speciaal voor hem stellingen hadden aangebracht. Tussen spanten en spijlen ging hij verder, móest hij verder gaan, zo voelde hij het, zorgvuldig steun zoekend en behoedzaam naar de volgende uitdaging strekkend, met de schoenranden zich afzettend tegen de plankieren. Het was riskant; één misstap kon fataal zijn. De vele stoelen beneden leken klein, als van een poppenhuis, alle leeg en gekeerd naar de preekstoel en naar het bescheiden orgel van bruinhouten panelen. In de muur tegenover hem zag hij de drie grote, veelkleurige ramen naast elkaar, waardoorheen schaduwloos licht binnenviel. Sinds hij hier de vorige keer klom, – hoe lang was dat geleden ? Geloofde hij nog wel in GOD? Nu hij hier was zou hij daar eigenlijk weer opnieuw mee moeten beginnen, dacht hij.
    Gaandeweg scheen hij zijn einddoel te vergeten, of het minder belangrijk te vinden, en naderde hij de zware zuidmuur onder het kerkedak. Het kerkhof zag hij vanuit de hoogte als een grijs schaakbord van stenen velden, waarop grafkransen, verdorde bloemen en doffe zinken vazen de schaakstukken voorstelden.
    Hij daalde snel af en was bijna direct beneden; zelfs wat te vlug naar zijn zin. Voor de laatste sprong op de grond spanden zich zijn spieren; en was het of hij geen benen nodig had. De wilgen ritselden alom; gele herfstbladeren zag hij op een windvlaag voorbij vliegen en als medailles tegen de zerken plakken.
    Zijn voetstappen knirsjten op het scherpe grind. Het veld met de grijze grafstenen lag nu voor hem, met gras en bleek sprietig groeisel opgeschoten. Honderden zerken zover als hij kon kijken, met ondiep ingebeitelde namen. Ontcijferen kon hij ze niet, omdat ze geen letters bevatten, maar uit vreemde, onbestaanbare tekens bestonden, allemaal.
    Het werd zeer donker, vooral onder de reusachtige bomen rondom. Hij prees zich gelukkig dat het nog steeds droog was; regen zou zijn beleving op het kerkhof ingrijpend veranderd hebben. De oude gedachten van de middag echter verlieten hem geen seconde; hij haastte zich terug door de zware ijzeren toegangspoort en zocht de straat af om te zien waar de anderen gebleven waren.
    Tot zijn geluk zag hij hen op een straathoek, onzeker, overleggend wat te doen; ze hadden het vast en zeker over hem. Edsert stak over.
    De begroeting was gelijk verrassend, allerhartelijkst. Hij verontschuldigde zich zonder kruiperig te doen langdurig voor zijn onhandige gidswerk.
    – Maar zijn eigen, grote, diep-raadselachtige geheim van de klim bleef in het verborgene. En dat vond hij maar het beste ook. Hij zou geen mens iets over zijn hoogteavontuur vertellen. Nog net op tijd was hij tot dit besef gekomen. Geen mens zou het immers begrijpen?
    – Dat, het unieke, en het feit dat hij de enige was die ervan wist, vervulde hem met trots. En met een gevoel van bijzondere eer.

Deze tekst is toegevoegd op 19-08-2017 door Henk Gruys .